„O!” Ze sloeg de beide handjes vpor het gelaat en „O!” zei ze nog eens. Een kleur overtoog het spitse snuitje.
„Ben je blij, kind?” vroeg haar Moeder, terwijl ze zich over haar heen boog.
„Is ’t echt waar, Moeder? Ga ik daarin rijden? Ik kan het niet geloven, ’t is tè mooi om waar te zijn.”
„Je gaat er nu direct in rijden,” zei tante Do. „En hier zijn enige mensen, die je iets brengen waar je meteen een goed gebruik van kunt maken. Kom binnen, dames!” En tante Do deed de deur open en binnen stapten de Muizenmoeder, Anne-Marie en Riek.
Tante Do schoof Riek naar voren en zei kwasi plechtig: „Nou, burgemeester, steek van wal!”
Riek schraapte haar keel, deed vreeselijk gewichtig, maakte toen een luchtsprong en zei:
„Reuze, Correkind! Je gaat op stap vandaag en de zon schijnt zo fijn en Frans-bruur zal je rijden en ik ga lekker mee! En nou zal ik je eens vertellen, wat de vroede vrouwen uit het Muizennest voor je gedaan hebben.”
Anne-Marie haalde de grote doos tevoorschijn waar alles in verpakt was, wat Corrie onmiddellijk zou gebruiken.
Ze was sprakeloos en haar Moeder niet minder, toen daar de mooie plaid uit tevoorschijn kwam, de voetenzak, het warmwaterkruikje, het zakje ervoor.
„En dit,” ging Riek voort, terwijl ze een wollen vest, een das en handschoenen voor de dag haalde, „hebben je Clubgenoten van „Wij van de Brei” voor je vervaardigd. Hoe vind je ’t?”
Het was goed, dat Riek er een pretje van maakte, want de twee, Moeder en dochter, die zovele jaren in donker en onder druk geleefd hadden, werd het bijna te machtig.
„De wol, de patronen, het kruikje is alles gegeven door de vermaarde pianiste ... Anne-Marie.”
„Riek, sla niet zo door,” lachte Anne-Marie, maar ook
173