weer een egoïstisch, naar schaap vinden, maar dat kan me niets schelen, we kunnen niet allemaal zulke braafheden zijn, als jij bent! Nou, tot Zaterdag dan en ik hoop maar, dat het zonnetje zal schijnen. Daag!”
Riek was die middag stil aan tafel en mevrouw van Dongen keek haar onderzoekend aan. Ook tante Do maakte in stilte de opmerking, dat Riek niet als anders was. Er werd niet opgewekt gepraat over alle verrassingen die Zaterdag plaats zouden vinden, noch werden er schoolverhalen ten beste gegeven.
Direct na tafel toog Riek naar haar kamer en maakte vlug haar huiswerk verder af. Toen begon ze te breien.
„Ik kom de thee voor de freule maar boven brengen,” zei tante Do en het was, vond iRiek, of tante gevoeld had, dat ze juist behoefte had om met iemand te praten. „Waarom kom je niet beneden zitten met je breiwerk? Het werkt toch veel gezelliger op, als we samen breien.” „Tante Do?”
„Ja, kind?”
„Ik kom er niet met de boel. Tenminste niet, als ik morgenavond naar het concert ga. Neen, biedt u nu maar niet aan me te helpen, want ik heb het al afgezegd. Maar niet van harte en dat maakt me nou juist zo vervelend. Ik heb vanmiddag erg gevochten met mezelf en... ik vecht nog, want ik zou wel telkens naar de telefoon willen hollen en Ans zeggen, dat ik tóch mee ga. Wat zal ik doen, tante?”
„Dkt wat je hart je ingeeft, kind.”
„Ja, maar dat is nou juist zo akelig, het ene ogenblik ben ik vast besloten niet te gaan en het andere neem ik me weer voor toch te gaan.”
„En denk je, kind, dat je van harte zult genieten als je weet, dat de voetenzak — weet je nog, het was het eerste wat je zei: een warme voetenzak voor Corrie’s koude pootjes — als juist die niet af zou komen? Ik bied je niet aan je te helpen, want ik zou je verkeerd helpen, dat weet ik
167