nodig. Maar haar voeten zijn wèl altijd koud, doordat ze ze niet beweegt.”
Het was of het nu pas goed tot Riek doordrong wat het zeggen wil als je je voeten, die bewegelijke, gezellige dingen, die je zo gemakkelijk overal heenbrengen, niet kunt gebruiken.
Resoluut stond ze op. Floor, die zag, dat ze de kamer ging verlaten, rende achter haar aan.
„Blijf in je mand, akelig geweten!” snauwde Riek en ze rende de trap af en ging regelrecht naar de telefoon.
„Mag ik Ans even hebben, astublieft?”
Ans moest zeker van boven komen, want ze liet Riek, zo als het in haar verbeelding leek „een stief kwartiertje” wachten.
„Ha, die Riek!” deed Ans kwajongensachtig.
„Zeg,” ratelde IRiek. „Ik kan morgenavond niet mee, wil je het je Moeder zeggen en haar nog eens vriendelijk bedanken voor de uitnodiging.”
„Je kan niet mee?” haalde Ans verbaasd uit. „En waarom niet?”
Riek stond even in beraad om te zeggen, dat ze niet mocht omdat ze haar werk wat veronachtzaamd had, maar dan zei ze flink:
„Ik krijg de voetenzak niet af, als ik vanavond en morgenavond niet hard doorwerk. Ik heb heus een harde strijd met mezelf gevoerd, Ans, want ik was zo dolgraag gegaan.”
„Daar merk ik anders weinig van,” pruilde Ans. „Hè, toe, wees nou niet zo overdreven, Riek. Denk je, dat Corrie het prettig zal vinden, dat je terwille van haar niet naar het concert zal gaan?”
Weer weifelde Riek even. Was het eigenlijk niet waar, wat Ans zei?
„Ik heb me er zo dol op verheugd, dat we samen zouden gaan en nu gooi jij weer roet in het eten!” klaagde Ans.
165