helemaal je tijd nog niet. Toe, vlieg op! Je kunt zo vervelend doen.”
Floor, die vond, dat zijn vrouwtje zich de laatste dagen al heel weinig met hem bemoeide, droop af naar z’n mand en keek over de rand naar die ontrouwe, steeds breiende vrouw.
„Die hond kan zó verwijtend en verongelijkt kijken,” mopperde Riek. „Ik heb ’m veel te veel verwend, dat is de hele kwestie. Hè, hond, kijk voor je!” Weer breide Riek in een stevig vaartje door.
„Daar heb je ’t nu al! Heb ik vergeten te minderen, kan ik warempel zes toeren uithalen! Haastige spoed ...!”
Rits, rits, rits! Natuurlijk trok Riek, boos als ze was, nog twee toeren te veel uit.
„Zal ik Moeder eens vragen, hoe ze er over denkt? Neen, Riek, vecht het met jezelf uit en zeur niet zo lang. Hoe durf je je eigen ziek-zijn nog te vergelijken met Corrie’s ziekte, waar géén beterschap voor is. Riek, wat ben je weer een zelfzuchtig schaap! Je hebt zo vreselijk veel en nou zit je nog te mopperen, omdat je wel drommels goed voelt, dat je die heerlijke avond af moet zeggen. O, neen, ik zal het niet kunnen. Ik zal vannacht stilletjes opstaan en net zoveel gaan breien, als ik anders morgenavond zou breien. Ik geef mezelf een taak op, het moet af, al brei ik twee nachten door.”
De toeren zaten er weer in, de mindering was gemaakt, maar Riek had nog geen vrede met zichzelf.
„Moeder heeft het zó in de gaten, als ik dat doe en het kost licht en ik kan niet buiten mijn slaap en zal op school natuurlijk zitten suffen en geen cent waard zijn en dat net nu ik toch al een beetje aan het slabakken ben geweest! Een opoffering, zo’n echte, is nog helemaal niet zo gemakkelijk, zelfs niet als je toch weet, dat je het doet voor iemand, die zoveel minder heeft, dan jijzelf. Misschien is het prachtig wêer als Corrie voor het eerst in de wagen uitgaat en heeft ze die hele voetenzak niet eens zo direct
164