spoken! Neen, dat zou tè erg zijn, het is mooi weer op Corrie’s eerste rit...”
Anne-Marie, schoon ze het drukker dan ooit had, hield zich trouw op de hoogte van alles en haar bijdrage aan „het grote wollen geschenk” zoals Riek het noemde, was van dien aard, dat er nog genoeg over bleef om plantjes en bloemen te kopen, iets, waarvan Corrie nooit genoeg kon krijgen.
„Als ik er toch maar kom met de voetenzak,” dacht Riek, die haar breinaalden in verwoed tempo liet tikken om het kruikenzakje af te krijgen, dat om het warmwaterkruikje zou komen, dat Corrie’s altijd zo koude handen moest verwarmen. „En ik kan de anderen niet nog opschepen met mijn boel. Die hebben genoeg te doen om de plaid af te krijgen. Ik begin zo zoetjes aan te geloven, dat ik weer teveel hooi op m’n vork heb genomen. Moeder heeft me wel gewaarschuwd. En ik vertik ’t om er mijn werk voor te laten staan, dan zal Moeder terecht zeggen: Zie je nou wel! en dat kan ik niet horen. En toch heb ik me voorgenomen, dat de boel af zal komen, al komt de onderste steen boven! ”
Er waren nog vier dagen vóór Corrie’s verjaardag. Riek rekende en rekende, maar ze zou er niet komen, als ze niet...!
„M’n eerste concert! Ik heb me er zo vreselijk op verheugd,” tobde Riek, terwijl ze even de pennen liet rusten. „Neen, dat zou te erg zijn, dat kan ik er niet voor opofferen. En Ans zou het ook misselijk vinden. Neen, dat kan ik Ans niet aandoen, ze is net weer zo goed op weg om wat dragelijker te worden.”
De pennen klikten weer, maar het was net of ze moeizamer gingen, dan tevoren.
„Ik heb toch óók een nare tijd achter me liggen,” sprak ze zichzelf toe. „Toen gingen alle anderen ook gezellig uit en ik kon maar blijven liggen. Hè, Floor, zit me niet zo vervelend aan te staren. Wat heb je? Moet je er uit? ’t Is
163