„Wij wonen ook wel in een benedenhuis..Miep zei het een beetje weifelend, want haar Moeder zag altijd op tegen rommel in één van de benedenkamers en al zouden ze nog zo voorzichtig doen, rommel maakten ze altijd wel. „Ik zal het thuis vragen, je hoort het dan nog wel, Riek.”
„O, er is geen haast bij! Er is zoveel in de komende weken wat Corrie gelukkig zal maken, we moeten maar een beetje kalm-aan doen, anders verwennen we haar teveel. Ik ben op het ogenblik een echte dochter van m’n Moeder, die zou zoiets direct bedenken en ze zou geen ongelijk hebben. Wij, veulens, zijn altijd klaar te hard van stapel te lopen.”
Genoegelijke avondjes waren het, dan bij de één, dan bij de ander, waarop al de wollen artikelen gehandwerkt werden, die Corrie’s verjaardag tot een feest zouden maken.
Tante Do, „als aanvoerster van de bende”, zoals Riek haar plaagde, ging overal mee en haar pennen klikten wel het hardst van allemaal. En dat was maar goed ook, anders zou de wollen plaid, die ze samen met haar zuster voor Corrie maakte, zeker niet af gekomen zijn.
„En allemaal van wol-resten,” zei tante Do trots, als de meisjes de plaid, die veelkleurig in strepen gebreid werd, bewonderden. „Een idee van de practische Muizenmoeder natuurlijk.”
Riek had de grootste moeite om haar werk niet te laten lijden onder de voorbereidingen tot het feest. Iedere keer weer moest ze zichzelf toespreken.
„Het is toch ook zo in-gezellig, om alles op pootjes te zetten! Als ik aan Corrie’s gezicht denk, wanneer... wacht eens even, dat moet ik nog op papier zetten, dat is nog niet goed geregeld. Het moet kloppen als een bus, anders is het effect niet zó als ik me voorgesteld heb. O, èls het weer nu maar meewerkt! Stel je voor, dat het giet, of er erge wind is. Het lieve Aprilletje kan raar rond
162