van de wagen,” zei IRiek enthousiast. „Toe, tantetje, gaat u er vanavond heen en bespreekt u het met mevrouw.” „Zeker waar Corrie bij is, domme meid! Wacht nu maar tot morgenochtend, dan spreek ik mevrouw wel als ik de bedden opmaak. Ze is meestal in de slaapkamer als ik er ben en dan houden we een gezellig babbeltje.”
„Ik bied mijn diensten aan voor de eerste rit,” bood Frans gul aan. „Op wat voor dag is ze jarig?”
„Op Zaterdag.”
„Nou, dat treft, dan ben ik ’s middags vrij.”
„Je bent een dierbaar perceel,” zei Riek.
„Bah! wat een uitdrukking! En dat zeg je tegen Floor ook! Kun je niets beters bedenken?”
„Je bent een reuze-knul!”
„Dat lijkt me beter...”
„Als het doorgaat...” mijmerde Riek. „Dan kunnen we een voetenzak voor haar maken en warme handschoenen ...”
„En een heerlijke warme doek,” vulde tante Do aan. „Kunnen we dat allemaal nog afkrijgen?” vroeg Riek.
„Als we allemaal wat doen, dan zeker,” moedigde tante Do aan.
„Denken jullie er in je vurig enthousiasme ook wel aan, dat al die wol en de kapok voor de voetenzak geld kost?” herinnerde de Muizenmoeder hen.
„Anne-Marie heeft me de vrije hand gelaten om iets voor haar uit te zoeken en ze sprak zelf ook al van iets te combineren, dat komt dus prachtig uit,” zei Riek verheugd.
„Dan is het best, kind. Ik wil niet, dat je dingen doet die boven onze krachten gaan en al gun ik het lieve kind nog veel meer dan dit, we moeten ons gezond verstand houden.” „Je Moeder is een wijsgeer,” prees meneer van Dongen zijn vrouw. „En het is maar goed, dat ze zulke opgewonden veulens als Do en Riek in bedwang weet te houden.” „Dank je wel voor het compliment, zwager,” lachte tan
160