kamer gaan om rustig in de grote stoel te gaan zitten, zoals haar gewoonte was vóór ze naar bed ging.
„Ik breng u even naar boven,” bood Ans aan. Dit was meestal het werk van haar Moeder, maar nu Ans een braafheids'bevlieging had, wilde ze het zelf doen.
„Graag, kindje, graag,” zei Oma verrast.
Voetje vóór voetje ging het de brede trap op en naar Oma’s kamer, waar het altijd zo warm was, dat je ervan ging puffen, vond Ans.
„Wil ik uw breiwerk bij u leggen?” vroeg ze.
„Neen, dank je, poesje ik ga een beetje soezen en nadenken over het prettig avondje dat ik had. Dank je wel, hoor poesje.”
Oma’s tengere handen om Ans’ gelaat, een zachte kus op haar wangen.
„Nacht Grootje.”
„O, had ik een stem als de leeuw’rik daarginds, ik zong er een vrolijk lied.”
Riek, die net op weg naar Corrie’s kamer was, hoorde het haar zingen.
„Je hoeft helemaal niet te soebatten om zo’n stem als die leeuw’rik daarginds!” lachte ze, de kamer instappend. „Je hebt een stem als een leeuw’rik en een lijster en een nachtegaal bij elkaar.”
„Je overdrijft weer niet zuinig,” plaagde Corrie. „Is één vogel niet genoeg om te complimenteren?”
„Ik kom even oplopen om je er aan te herinneren, dat „Wij van de Brei” morgen bij jou zijn.”
„Alsof je me daaraan moet herinneren! ” lachte Corrie. „Ik heb de dagen gewoon afgeteld. En Moeder heeft er
155