„Ja, kindje, dat weet ik nu wel, maar in Oma’s tijd was alles heel anders en het is juist zo prettig, dat de tijden zo veranderd zijn en men nu meer denkt aan het schone wat men te horen krijgt, dan aan de kleren die men aan zal doen. Breek jij daar dus niet je bol over; de hoofdzaak is, dat we samen zullen genieten van Anne-Marie’s spel.”
„Ik heb vandaag nog helemaal niet gestudeerd,” zei Ans schuldig.
„Dat kun je dan nog mooi na het eten doen.”
„Ik had juist wat willen lezen.”
„Dat had je vanmiddag kunnen doen als je niet zoveel tijd verloren had laten gaan met mopperen en kniezen.” „Moeder?”
„Ja, kind?”
„U is lang niet meer zo lief voor me als vroeger.” Mevrouw Denekamp trok haar dochter naar zich toe.
„Ik geloof juist, dat ik liever, of eigenlijk gezegd, beter voor je ben, dan vroeger. Moeder heeft leren inzien, dat ze je veel te veel verwend heeft en ze je daarmee geen dienst heeft gedaan. Het is voor mij ook niet gemakkelijk geweest, om zo van koers te veranderen, Ansje. Je zult over een tijdje zelf inzien, dat je je veel tevredener en gelukkiger gaat voelen als je niet zo in alles je zin krijgt en niet zo helemaal het middelpunt bent. Wil ik je eens iets grappigs vertellen? Mevrouw de Kruyve en ik ontmoeten elkaar nogal eens en natuurlijk komt dan het gesprek wel eens op onze dochters. We hebben ontdekt, dat we in hetzelfde schuitje varen. Ook hun Nita is een verwend, enig kindje. En nu hebben we een bond gesloten om onze meisjes niet meer zo week op te voeden. Met z’n beiden ben je krachtiger,” lachte mevrouw. „Zie je wel, kind, al is een mens nog zo oud, hij is toch nooit te oud om zich te verbeteren. Laat dat je tot troost zijn, als je dingen in jezelf ontdekt die voor verbetering vatbaar zijn.”
„Nita is tegenwoordig veel geschikter tegen me.”
!53