„Ai, Ans, wat een bof! Een echt uitje! Wanneer is het?”
„Over een week of wat.”
„Riek naar een concert! Zo’n bof heb ik nou nog nooit gehad. Ik ben nog nooit naar een concert geweest! Ik hoop, dat het stampvol wordt, dan komt er een boel geld in de kas van de Vereniging. O, Ans, wat lief van je Moeder! Ik ben dolblij, dat kan ik je wèl vertellen.” „Zeg, Riek?”
”Ja?”
„Is Corrie blij, dat ze bij jullie is?”
„Wie zou dat niet zijn, hm, hm! Zie je m’n hoge borst?” „Malle,” lachte Ans en ze voelde zich opeens honderd pond lichter.
„Neen, maar alle gekheid op een stokje, je moet eens gauw komen zien, hoe blij Corretje wel is. Ze zingt als een lijster en ze glundert ons allemaal toe. Moeder en tante Do zijn idolaat van haar.”
„Ben je niet jaloers, Riek?”
„Stel je voor! Nou, Ans, ik moet tafel dekken bij onze nieuwe bewoonsters. Tot morgen op ’t hok!”
»Daag!”
„Is ’t weer in orde?” vroeg mevrouw Denekamp, die juist de kamer in kwam, toen Ans de haak op de telefoon legde.
„Ja, Moeder en Riek was helemaal niet boos en ze kauwde ook niet na, daar ben ik zó blij om. O, ja, Moeder, ik heb haar verteld van het concert. Ze was uitgelaten, u had haar moeten horen! Het is voor de eerste maal, dat ze naar een concert gaat. Zou ze een leuke jurk hebben om aan te doen?”
„Riek ziet er altijd erg netjes uit en ze zal er die avond ook zo uitzien. Bovendien, Ans, het gaat toch niet om de jurken, die jullie aan zullen hebben, maar om het goede doel en om Anne-Marie te horen spelen. Kleine ijdeltuit, je moet altijd aan kleren denken.”
„Oma zei...”
152