„Nou lig ik er uit en voor goed,” dacht ze en ze zon op middelen om zich te wreken op Riek, die zo lelijk tegen haar was geweest. „O, als dat kind Smaalders er niet tussen was gekomen, was het nooit zo erg geworden tussen Riek en mij. Riek is eerst dik met iemand en dan laat ze je links liggen. Dat heeft ze natuurlijk ook met dat meisje de Kruyve gedaan, daar zou ik wat om willen verwedden. Het lijkt lang niet meer zo chaud als vroeger tussen Riek en haar. Geen wonder! Riek kan nooit maat houden. Ze is een echte allemansvriend en daar houd ik niet van. Als ik nu eens probeerde die Nita op m’n hand te krijgen. Misschien is het niet zo’n akelig kind als het lijkt. Op de laatste Clubmiddagen was ze heus nogal geschikt met me. Wie weet hoe gezellig ze het zou vinden vriendin met me te worden. Riek zal zeker het land hebben als Nita haar niet meer als een hondje volgt. Ik zal Nita eens een belletje geven, een boek te leen vragen of zo en dan vragen of ik het mag komen halen. Bah! nou komt er geen lor van Moeder’s plan om met Riek naar het concert te gaan waar Anne-Marie speelt! En het is nogwel ten bate van de Zuigelingen-Vereniging van Riek d’r tante Dok! Jammer, dat ze niet vroeg wat de verrassing was, maar ze scheen er helemaal niet nieuwsgierig naar te zijn. Hè, jog, kijk uit! ” riep ze verontwaardigd uit, toen ze, al piekerend, opbotste tegen een spelend joggie.
„Kaak zellef uit je doppe!” schold het jog in onvervalst Jordaans.
Ans, met het air van een prinses ging met opgeheven hoofd langs het haar nascheldend joggie.
„Kouwedrokkiemaakster! a-je niet gauw opschiet za’k je ’n doffe dreun teuge je poppegesicht verkope!” dreigde hij en hij kwam in heldhaftige houding naast haar lopen.
Ans spoedde zich voort, want het kereltje zag er zó dreigend uit, dat de schrik haar om het hart sloeg.
„Wat een dag!” mopperde ze. „Alles loopt me tegen.
148