Corrie’s lied was geëindigd, maar zijzelf zat met een zó gelukzalig gezichtje in haar stoel, dat het de Muizenmoe-der bepaald ontroerde.
Ze plaatste het theegerei op de theetafel, ging dan naar het meisje toe, nam het kleine hoofd in haar moederlijke armen en zei zacht:
„Wat heb jij een lieve stem, Corrie. Ik heb in de gang staan luisteren. Het lijkt of er een nachtegaaltje in je keel zit.”
Als een poesje drukte Corrie zich tegen mevrouw van Dongen aan.
„Ik moet zingen,” zei ze dan zacht. „Het is hier zó heerlijk en ik ben zó dankbaar.”
„Ik hoop, dat Moeder en jij het blijven,” Mevrouw vond, dat ze zich maar niet teveel moest laten gaan en vooral niet te week tegen Corrie moest doen. „Zo, kind, we zullen je Moeder even roepen, want die zal wel snakken naar een kopje thee. En straks komt Riek nog een poosje bij je, tenminste, als Moeder er niets tegen heeft.”
„Moeder?” verbaasde Corrie zich. „Die is minstens zo blij als ik, als ;Riek komt. Ik heb Moeder nog nooit zoveel zien lachen. Als Riek zo mal doet tegen haar Floor, dan schatert Moeder het uit. Vraagt u of Riek hem mee brengt? Hij is zo’n schat en ik heb hem in weken niet gezien.”
„Zal gebeuren, meisje. En als Riek op school is kan ze hem 'best bij jou laten. Vraag het haar maar, ze vindt het vast wel goed.”
„O, dat zou enig zijn! Maar hij vindt het misschien saai bij me.”
„Kun je denken! Jij praat tegen hem en bij ons krijgt hij geen twee woorden, daar hebben tante Do en ik het te druk voor. Floor heeft heel wat verloren aan Baasje. Jij kunt hem dus veel vergoeden en als je over een tijdje uitgaat kan Floor naast je wagen kuieren.”
H3