huurd; het zijn ruime, zonnige kamers en ze zijn groot genoeg voor u en Corrie.”
„Waar moet ik met al mijn boel heen?” zuchtte mevrouw, die het idee lang niet zo verwerpelijk vond als ze wel liet voorkomen, maar als tegen een berg opzag tegen alle beslommeringen die er aan vooraf zouden gaan.
„Opruiming houden, mevrouwtje,” lachte tante Do. „De meubels houden waaraan u het meest gehecht is en de rest naar een verkoping sturen. Denkt u eens even in, wat het voor Corrie zou zijn om in een vrolijke, zonnige kamer te zitten en zó uit de huisdeur in een rolwagentje te kunnen gaan. Haar leven zou zoveel rijker worden als ze kon genieten van de frisse lucht, als we haar konden rond rijden in het Vondelpark.”
„In een rolwagen?” Mevrouw’s handen gingen naar haar hoofd, alsof ze dit moest steunen om alle voorstellen van tante Do te kunnen verwerken. „In een rolwagen?” herhaalde ze. „Iets, wat ik altijd zó verfoeid heb? Mijn kind, als één van die gebrekkige stumperds, die altijd met , zoveel medelijden aangestaard worden! Neen, tante Do, dat kunt u niet van me eisen, dat is teveel gevergd. Uw eerste voorstel, daar zou ik wel oren naar hebben, want het wordt me vaak te machtig, dit wonen in het huis waar we niets dan leed hebben gehad. Maar, over dit andere mag u niets meer zeggen, daar wil ik niets van horen. U weet niet wat het zeggen wil voor een Moeder om je kind — het enige, dat je nog over hebt — te zien rondrijden in een wagentje voor gebrekkigen.”
„Ik weet het, mevrouw, ik voel wat het voor u is, maar het zal moeten wennen. U moogt Corrie niet opofferen aan... nu moet u niet boos worden, mevrouwtje ... maar heus u offert haar op aan uw eigen trots. Want het is uw trots, die u niet toestaat het kind te laten genieten van frisse lucht en afleiding.”
„Haar leven is, dank zij Anne-Marie en Riek toch al heel veel gezelliger geworden dan het was en daar heb ik
136