gehouden. „Ik ben dikwijls zo onaardig tegen hem geweest.”
„Nou, de laatste tijd helemaal niet meer,” troostte Riek. „Hij was er trots op, dat je zo je best doet op school. Fijn, dat hij dat nog geweten heeft.”
„Riek,” fluisterde Nita, toen tante Do de kamer verlaten had. „Weet je, wat ik zo naar van mezelf vind? Ik heb er niet eens zo’n verdriet van, dat Opa er niet meer is, och, ik wil me niet beter maken, dan ik ben, maar ik vond hem altijd een beetje vreemd. Ik huil alleen maar, omdat ik vaak niet lief tegen hem was en.... omdat ik zo schrok, want het is voor de eerste maal, dat er iemand dood is gegaan in onze familie, tenminste voor mij is het de eerste maal en dan sta je er zo vreemd tegenover. Had ik dat ook tegen tante Do moeten zeggen? Ze was zo lief voor me en ze denkt misschien, dat ik huil van verdriet.” „Maak je daar nou maar niks benauwd over. Die tante van mij weet precies wat ze aan de mensen heeft en ik vind jou eerlijk, dat je je gevoelens niet mooier wilt maken, dan ze zijn.”
„Ik geloof, dat jij nog meer van Opa hield, dan ik.” „Ja, dat kan wel. Ik weet tenminste wel, dat ik hem erg zal missen, dat komt natuurlijk, omdat hij zooveel jaren bij ons in huis is geweest.”
„Ja, dat zal wel. Moeder zei vanmorgen, dat jullie meer voor hem zijn geweest, dan wij alle drie bij elkaar. Ik vond het fijn, dat Moeder het zei, want ik heb het zo heel vaak gedacht, maar ik zei er maar niets van, omdat ik Moeder niet wilde hinderen.”
Riek schrok op. „Wat is het al laat! Ik moet weg. Ik moet draven! Breng je me even, of moet jij ook naar school?”
„Neen, ik moet op Moeder blijven wachten, die komt direct.”
„Haal maar een boek van m’n kamer of ga wat met Floor in de tuin hollen. Nou, dag! Tot straks.”
130