de Cologne, pakte een zakdoek en, die goed nat makend, wreef ze hiermee langs Baasje’s bleek gelaat.
„Hè,” steunde hij. „Hè, dat doet goed. Zo benauwd, kind.”
Riek kreeg opeens een akelig, angstig gevoel. „Als ons goede Baasje maar niet ziek gaat worden en ... o, wat zou ’t naar zijn, als ..
Ze voelde hoeveel ze toch hield van den ouden man, die vaak ongemakkelijk en brommerig kon zijn, maar toch zo hartelijk en zielsgoed met allen meeleefde.
Zacht streelde haar hand over het spaarzame grijze haar.
„Zal ik Moeder roepen?” vroeg ze zacht.
„Laat maar, gaat wel over.”
Floor had vlak naast zijn knieën plaats genomen, keek met zijn grote, vochtige kijkers liefdevol naar het Baasje, dat iedere dag zulke lange wandelingen met hem maakte en hem naar hartelust liet draven.
„Wat moet ik doen?” dacht Riek. „Ik durf hem niet alleen te laten, hij heeft zo’n vreemde kleur en ik geloof, dat hij het rustig vindt, dat ik bij hem ben.”
Maar toen het steunen weer erger werd en het leek of hij pijn had, durfde Riek toch niet langer te wachten en holde ze de gang in om Moeder te roepen.
Ach, en toen was het allemaal zo gauw gegaan.
Dokter was gekomen en had direct gezien, dat Baasje’s oude hart het op zou geven.
Moeder en tante Do waren die nacht bij den ouden man gebleven. Toen Riek, die, jong als ze was, een kostelijke, gezonde slaap had, de volgende morgen ontwaakte wist ze zich niet direct te herinneren, dat Baasje niet goed was. Maar toen Moeder, terwijl ze zich aankleedde bij haar binnen kwam, wist Riek opeens, dat het helemaal niet goed met hem was. Moeder’s gezicht stond treurig en ze had behuilde ogen.
„Is .. . ?” vroeg Riek verschrikt.
128