met Riek aan het sabbelen was, leek het haar of de toffees anders smaakten dan vroeger.
„Lekker,” zei ze en er was verwondering in haar stem. „Lekker? Gewoon zalig i Hier, pik er nog maar een en hoepel dan op, want ik moet tafel dekken bij Baasje.” „Riek?” jjoe?”
„Mag ik zo af en toe eens komen aanlopen? Ik vind het zo enig en het doet me echt zoveel goed, dat weet je niet half.”
„Nou, dan kom je maar aangekuierd en als ik je niet hebben kan, hoor je het wel. Gedag, en als ik je niet meer zie, dan tot morgen op het kippenhok.”
„Tussen nu en morgenochtend zul je geen last meer van me hebben!” lachte Ans. „Ook gedag en bedankt, hoor!” „Vooruit, Floris, zei Riek,” toen Ans verdwenen was. „We gaan dekken bij het Baaske.”
Met Floor als een trouwe vazal achter zich aan, toog Riek naar de zitkamer van haar Baasje.
Op haar kloppen kreeg ze geen gehoor.
„Zeker lekker ingeduddeld,” dacht ze en ze deed zacht-kens de deur open. „Nog donker?” Ze knipte het licht aan, zag tot haar verbazing de oude heer niet als andere middagen in zijn grote leunstoel zitten. „Zeker in de slaapkamer,” dacht ze en ze begon de tafel te dekken.
„Wat is er Floor?” vroeg ze verbaasd, toen ze hem hoorde snuiven onder de richel van de slaapkamerdeur. Floor krabde met z’n zware poten aan de deur en begon licht te janken.
„Hè, beest, wat doe je mal,” zei Riek knorrig, maar ze ging toch onwillekeurig naar de deur van de slaapkamer.
„Wat is dat?” schrok ze, toen ze een benauwd steunen hoorde. Zonder zich te bedenken deed ze de deur open en zag het Baasje in de grote leuningstoel zitten, met bleek, vertrokken gezicht en steunend van benauwdheid.
Riek deed fluks de balcondeuren open, zocht naar eau
127