tot andere gedachten te brengen. Jij bent te jong om eens ernstig met haar te praten, ik zal eens met je moeder overleggen wat we hieraan kunnen doen, laat het maar eens aan ons over.”
„Fijn! dan zal de zaak wel in orde komen. Gaat u eens met me mee naar Corrie?”
„Zeg, malle meid, jij wilt geloof ik iedereen naar Corrie slepen, dat zal haar moeder misschien helemaal niet naar de zin zijn.”
„O, heus wel, ze zei verleden week tegen me, dat ik mee mocht brengen wie ik maar wilde, want dat het bezoek Corrie erg veel goed deed.”
„Nou, dan ga ik graag eens met je mee en als jij dan bij Corrie zit, kan ik misschien wat bij haar moeder uitrichten.”
Toen tante Do weg was gegaan begon Riek haar krachten te beproeven op de voordracht, die Nita en zij zouden houden op de eerste Woensdag waarop „de Brei” de gast van Corrie zou zijn.
Maar het wilde niet vlotten en Riek beet wanhopig op haar potlood.
„’t Is mis,” dacht ze, toen ze de eerste regels overlas. „Riek, je bent een dichteres van de koude grond. Als goed maar op spoed rijmt, denk je, dat je al een heel eind in de goede richting bent. Neen, dat is nog heel andere appelepap dan een Sint Nicolaasversje in mekaar te flansen. Ik houd er mee op, het wordt niets en het is jammer van de tijd, die ik er aan verdoe. Dan maar geen komieke voordracht, we zullen Corrie heus wel met iets anders aan het lachen kunnen krijgen en misschien had het nog teveel rommel met verkleden en zo gegeven ook.” Dus verscheurde Riek haar eerste poging tot dichten en wilde zich net met een gezellig boek neerzetten toen er op de deur geklopt werd en Ans haar hoofd om de hoek stak.
„Mag ik even binnen komen?” vroeg ze, voor haar doen erg schuchter.
123