„Turelijk!” stemde (Riek in. „Wat heb je op je lever, meisje? Je kijkt zo hoe zal ik het zeggen — net als Floor — waar blijft die rakker, zou Baasje nog steeds op stap met hem zijn? — ja, net als Floor, als-ie achter de poes van de buren heeft gezeten.”
„Hij hoort zeker, dat je het over hem hebt,” lachte Ans. „Ik hoor ’m aan de deur krabbelen.”
„Ja, warempel. Kom binnen, Mr. Floor! Waar hebt ge zo lang uitgehangen?”
„Malle!” spotte Ans. „Hij kan je toch niet antwoorden.” „Ik spreek altijd met mijn beest. Hij verstaat me drommels goed en ik hem ook. Niet waar, bruine ridder van je vrouw? Lees ik je wensen niet uit je topazen kijkers?” „Woef” baste Floor en hij plantte een zware poot op Riek’s schouder.
„Nou, verdwijn in je mand, want Ans heeft hartsgeheimen op het puntje van haar tong hangen. Spreek!” gebood Riek.
Maar Floor, die dacht, dat het „spreek” tot hem gericht was, baste nog ééns zo hard.
„Je bent een dierbaar beest, maar deze keer is het „spreek” voor Ans bedoeld. Zak dus heus maar af naar je mand.”
„Wat is-ie gehoorzaam, zeg!”
„Mijn dressuur,” snoefde Riek. „Hij moest het wagen niet direct naar z’n mand te gaan als ik hem dit gebied! Moet je dat verongelijkte snuit zien, hij zou veel liever met de kop tegen onze knieën gedrukt zitten. Floor is zo’n gezelligheidsdier, daar heb je geen idee van, hij vindt gewoon, dat-ie overal met z’n curieusneus bij hoort.”
„O, Riek, houd op!” schaterde Ans. „Je doet net of-ie je dat allemaal verteld heeft.”
„Ik kan zien, dat jij er geen hond op na houdt. Dan zou je immers ook iedere beweging, iedere blik van je dier weten uit te leggen.”
„Ik zou er geen geduld voor hebben, om hem zo waar
124