gauw om zijn en eer ik het weet, zie ik U weer hier.”
Wat klonk het tevreden en dankbaar, het verwarmde Anne-Marie’s hart en ze nam zich voor de zoveelste maal voor, alles in het werk te stellen om zonnestraaltjes te brengen in het leven van het meisje, dat in zovele 'dingen tekort kwam.
’s Avonds, toen ze nog even bij de van Dongens naar binnen wipte, begon ze te vertellen van „dat eerste leer-lingetje” van haar, dat haar zo na aan het hart lag en dat het zo in alle opzichten waard was, dat men haar wat vreugde bracht.
Allen luisterden aandachtig, allen genoten ze van Anne-Marie’s enthousiast vertellen, allen voelden ze direct mee met het meisje waarvan ze op zo liefdevolle wijze vertelde.
„Ik zal duetten met haar zingen! Ik ga quatre-mains met haar spelen! Ik zal...”
„Bedaar, Riek,” kalmeerde mevrouw van Dongen. „Beloof niet direct te veel, weet eerst zeker of je het volbrengen kan.”
„Het is of ik Oom hoor,” lachte Anne-Marie. „Riek, we zijn zusterzielen! Ik loop ook altijd te hard van stapel en beloof dan vaak meer, dan ik kan volbrengen. Het is maar goed, dat we allebei een rem hebben. Ik moest die niet meer nodig hebben, ik heb de jaren om beheerst te zijn.”
„Ja, dat vind ik ook,” plaagde meneer van Dongen. „U is een bezadigde dame op leeftijd en Riek is een onbekookt kuikentje.”
Toen opperde Anne-Marie haar plannetje van de Club en vroeg Riek, of dit voor verwezenlijking vatbaar zou zijn.
Riek trok een bedenkelijk gezicht.
„II est un peu knuddé avec notre Club,” lachte Riek.
„Nu pas?” plaagde haar broer.
„Hoe komt dat nu?” verwonderde mevrouw van Dongen zich.
„Och, er zijn er twee, die een beetje stekelig tegenover mekaar staan. Misschien zal het op den duur wel beter
IIO