„Waarom zeg je het dan niet?”
„Ik ben bang, dat U zeggen zult, dat ik niet alles tegelijk moet willen. Weet U, ik vind zingen zo heerlijk en ik lig soms uren in mijn bed te zingen, als ik niet slapen kan. Als je zingt... dat is net zo heerlijk of je met iemand die je begrijpt alles uit kan praten. Ik weet niet of ik het zo goed zeg, maar zo voel ik het.”
„Ik begrijp het volkomen,” stelde Anne-Marie haar gerust. „Piano geeft je niet dat wat zingen je zou geven. Bij het zingen kun je zoveel beter vreugde en leed tot uitdrukking brengen, is ’t niet, Corretje?”
Twee dankbare ogen, een glimlach om de mond.
„Ik heb enige jaren zangles gehad en kan je er dus best wat mee helpen. Als Moeder het goed vindt, zullen we een half uur aan de piano wijden en het andere half uur aan je stemvorming. Ik heb je nog nooit horen zingen, maar naar je spreekstem te oordelen zou ik zeggen, dat je een goede zangstem kunt hebben. Zing eens een liedje voor me, neem maar het eerste het beste, dat je invalt.”
Een blos overtoog het bleke gezichtje van Corrie en even kampte ze met haar verlegenheid, maar toen, zich vermannend, zette ze met heldere stem het Zonnelied van Catharine van Rennes in.
Stil luisterde Anne-Marie naar die parelende zang, naar het juichende in die heldere stem, die was als het zingen van de leeuwerik op de eerste mooie voorjaarsdag.
„Wat een gave natuurstem,” dacht ze. „Hoe eeuwig jammer, dat ze niet door kan gaan voor zang, ik moet me al heel erg bedriegen als dat geen gedecideerd goede zangeres had kunnen worden.” En hardop zei ze: „Dat is een ware verrassing, Corretje. Je hebt een echte frisse stem en nu ik dat weet, zal ik er met Moeder over spreken die stem wat vorming te geven. Laat het maar eens aan mij over. Ik moet nu weg, maar ik zal van de week nog wel tijd zien te vinden, om er over te komen babbelen.”
„Wéér iets heerlijks om aan te denken. De week zal
109