jes er wat voor zullen voelen, dat staat nog te bezien.” Het was of Corrie haar gedachten volgde, de grote ogen keken in spanning op naar Anne-Marie’s gelaat.
„Ik moet er natuurlijk eerst met je Moeder over spreken en dan met de meisjes. Riek is er vast wel voor te vinden en mocht er niets van komen, dan zal zij zeker bij je willen komen, om samen met je te handwerken. Het zou wel prettig zijn, hè, Corretje, zo’n meisje van je eigen leeftijd.” „Dat zou het zeker, alleen ben ik bang, dat het voor Riek niet leuk zou zijn.”
„Dat denk je maar! Riek zal het even prettig vinden om met je te praten, als ik het vind en ik wou, dat ik meer tijd had om het te doen, maar de lessen nemen me hoe langer hoe meer in beslag en arme Corretje komt er bij te kort.”
„Hindert niet, hoor!” Corrie’s magere handje streelde voorzichtig, haast schuchter over Anne-Marie’s slanke hand, die op de leuning van haar rolstoel lag. „Ik heb toch mijn piano! Als ik studeer is het net of U er bij is, dan herhaal ik zacht al wat U me zei en er is zoveel om aan te denken, want eer ik mijn hand weer in de goede houding heb en ik op alles gelet heb, wat U me steeds voorhoudt, daar gaat een hele tijd mee heen en als ik dan weer voor het raam zit, dan denk ik aan onze gezellige gesprekjes en hoe fijn het is, dat ik tegen U alles kan zeggen. O, ik verveel me tegenwoordig nooit meer.”
„Je bent een tevreden lieverd,” zei Anne-Marie hartelijk. „Niet altijd geweest. Moeder heeft heel wat met me doorgemaakt, eer ik zo ver was, dat ik het aanvaarden kon altijd in een rolstoel te moeten zitten en maar aan weinig dingen te kunnen meedoen. Ik heb zoveel boze buien gehad en dagen waarin ik geen twee woorden tegen Moeder zei. O, ik ben vaak zó lelijk tegen haar geweest, U weet niet half hoe vaak! Maar nu heb ik mijn piano en U en ik kan heus alles veel gemakkelijker dragen. Alleen, er is iets, dat ik ook zo héél graag zou willen ...”
108