klank in de zo koud lijkende stem. „Het kind mist heel veel, dat behoef ik U niet te zeggen. Vriendinnetjes heeft ze niet, want ze heeft nooit schoolgegaan en heeft steeds thuis onderwijs gehad. Ik had een klasje voor haar geformeerd van enige net zulke stumperdjes als ze zelf is, maar op vriendschappelijke voet is ze nooit met ze gekomen en ik geloof wel, dat het een groot gemis voor haar is. Daar staat tegenover, dat ze niet heeft behoeven te voelen wat het zeggen wil, andere kinderen vrolijk na schooltijd te zien ronddraven. En ze heeft haar eigen lelijkheid niet geplaatst gezien tegenover de knappe gezichtjes van andere meisjes. Dat heb ik haar tenminste kunnen besparen.” „Arme, kortzichtige moeder,” had Anne-Marie gedacht. „In haar verbittering over al wat het kind tekort komt, heeft ze gemeend goed te doen met haar dit te besparen, maar ik heb het gevoel, dat Corrie liever met vrolijke meisjes van haar leeftijd had omgegaan, dan met alleen maar stakkerds, die net zo zijn als zij.”
In Anne-Marie’s hart was al direct een groot medelijden voor het ziekelijke meisje geweest, maar toen ze haar nader leerde kennen en vertouwelijke gesprekjes met haar hield, steeg nog haar gevoel van deernis. Wat had het kind veel alleen verwerkt, hoe had ze wat in haar woelde en gistte verborgen gehouden voor „Moeder, die toch al zoveel leed te dragen heeft”.
Met Anne-Marie’s komst was er voor het eerst kleur in het eentoning bestaan van Corrie gekomen. Wat die lessen voor haar betekenden kon niemand bevroeden, ook de moeder niet.
En het was voor Anne-Marie geweest, dat dit gesloten hart zich geopend had.
Menig uurtje, dat Anne-Marie had kunnen doorbrengen met lezen, of een andere ontspanning, had ze geofferd aan Corrie, omdat ze voelde, hoeveel goed haar deze vertrouwelijke uurtjes deden.
Maar toen er steeds meer lessen bij kwamen, werd het
106