lamde benen,” dacht Anne-Marie, die iedere keer weer dat ze bij Corrie Smaalders kwam haar aandoening moest bedwingen.
Het meisje was haar eerste les geweest en toen ze voor de eerste maal bij haar binnen kwam, was ze graag hard weggelopen, want het grote hoofd waarin de donkere ogen zo fel stonden, de wat wijde mond met de af gebrokkelde tanden, het had iets, dat afstotend werkte op wie het voor de eerste maal zag.
Maar de lieve, zachte stem had een bizondere bekoring en het deed haast vreemd aan, dat zoiets melodieus uit een zo weinig harmonisch gevormd geheel kwam.
Corrie’s moeder was er toen bij geweest en ze had gezegd, dat Corrie zo graag pianoles wilde hebben en of het geen bezwaar zou zijn, dat ze het pedaal niet zou kunnen gebruiken.
Anne-Marie had een hongerige blik opgevangen van Corrie. „Zoals een armetierig hondje kan kijken naar z’n baas,” dacht ze.
„Dat is helemaal geen bezwaar,” had ze gauw gezegd en ze had de ogen, de grote ogen, hoopvol zien oplichten.
Die pianolessen, ze waren de lichtpunten in Corrie’s weinig fleurig bestaan en ze hielpen haar heen over menige moedeloze dag.
Naderhand had mevrouw Smaalders Anne-Marie nog gevraagd even bij haar te komen, ze wilde nog een en ander met haar bespreken over de lesuren.
„U ziet er niet tegen op mijn kind les te geven?” had ze gevraagd en er was, dacht Anne-Marie een verbitterde klank in haar stem.
„In het minst niet, mevrouw. Wanneer uw dochter 'het voor haar brood moest doen, zou het natuurlijk iets anders zijn, maar nu zal ze een zekere hoogte kunnen bereiken, die haar zelf voldoening zal geven en daar gaat het toch om, als ik het goed begrijp.”
„U begrijpt het volkomen.” Er was een wat zachtere
105