En de volgende morgen, vóór een van de andere huisgenoten op was, sloop hij naar de brievenbus om er de krant uit te halen, de krant met de kritiek op Anne-Marie’s spel. Zijn handen hadden getrild, toen hij het blad openvouwde en in zijn zenuwachtige haast was hij twee keer de kunstrubriek voorbij gerend, vóór hij die vond. Hoe blij, hoe dankbaar was hij ook toen weer geweest, toen hij niets dan woorden van lof gevonden had. Maar, toen Anne-Marie hem aan het ontbijt opgewonden de kritiek toonde, had hij langzaam de recensie doorlopen, de krant nog langzamer dichtgevouwen en toen kalm gezegd:
„Laat dit je niet overmoedig maken, 'kind, bedenk, dat de recensent van dit blad een zéér goede kennis van me is en hij wellicht zijn verslag een beetje rooskleuriger getint heeft... omdat je een nichtje van me bent.”
Het was een domper op Anne-Marie’s vreugde geweest, maar kwaad had het haar niet gedaan en Oom’s woorden waren voor de zoveelste maal een aansporing voor haar geweest, om nog harder te studeeren en nog beter werk te leveren.
Toen Oom haar voor de eerste maal zei, dat ze nu maar op eigen benen moest gaan staan, was het eerste gevoel, dat haar beving, een gevoel van bevrijding. Nu zou ze, na al die jaren waarin ze bij Oom en Tante in huis was geweest, eens haar eigen zin kunnen doen en haar leven inrichten zoals ze dit zelf wenste. Tenslotte was ze nu toch op een leeftijd gekomen, waarop ze niet langer zo geheel aan Oom’s leiband wilde lopen. Het zou wel even vreemd zijn, maar dat zou gauw genoeg wennen. Buitendien schenen Oom en Tante het ook helemaal niet erg te vinden om weer met z’n beidjes te zijn.
Pas veel later had Anne-Marie ingezien, hoe stil het vooral voor Oom geworden was en hoe hij een harde strijd met zichzelf gevoerd had, toen hij haar aanraadde op eigen benen te gaan staan.
Dat was aan de vooravond van Oom’s gaan naar een
IOI