100 MIES DEMMING.
„Grompie! wie is dat? Is daar Heer Vader mee bedoeld?”
„Ja, dokter en is ’t geen juweel van ’n naam voor hem? Sinds ik Royaards als Grompie gezien heb, weet ik hoeveel gelijkenis zijn uitbeelding ervan heeft met mijn geliefden Pipa. Hij is tegenwoordig net zoo’n schat van ’n grompot, die je ’t eene oogenblik zóó uitvetert, dat er geen haar aan je heel blijft, om het andere weer zoo lief en hartelijk te zijn. We zullen ’t samen wel vinden, hè, grommert?” lachte ze, terwijl ze naar hem toeging en hem een hartelijken zoen op z’n wang gaf.
„De tegenwoordige jeugd...” probeerde haar vader nog te protesteeren, maar Mies liet hem niet uitspreken en dolde: „Toe, Grompie, niet zoo middeleeuwsch redeneeren. Denk eraan, dat je met je tijd moet meegaan, je moet me immers helpen met mijn Damesrubriek en een eerste ver-eischte hiervoor is, dat je up to date bent en niet zwaar en eenige eeuwen ten achter.”
„Ah ja,” zei dokter Sterrenberg. „Dat is waar, u gaat een Dames-rubriek redigeeren in ons Blad. Dat zullen de lezeressen wel heel erg op prijs stellen, zooiets hebben ze nog niet gehad. En waar denkt u over te schrijven?”
„O, over alles waarin „Zij” belang stelt.” „Mode-nieuwtjes?” lachte dokter.
„O, ja, natuurlijk. Maar we zullen hen ook op ander gebied onderhouden en we hopen ’t zóó te maken, dat de heeren der schepping ons bijblad niet met een minachtend gebaar aan vrouwlief zullen overreiken, als zijnde vrouwen-gekakel.”
„Juffrouw Demming u doet me verlangen naar de verschijning van het eerste nummer. En als ik u zoo hoor spreken, dan kan het niet anders of het zal eerste klas werk zijn, dat u ons voorzet.”