ELFDE HOOFDSTUK.
En zoo was dan eindelijk de dag aangebroken, waarop Mies, na een hartelijk afscheid van van Dalen en Dumée en de belofte elkaar niet uit het oog te zullen verliezen, haar plaats als verzorgster bij den zieken vader ging innemen.
Met de haar eigen voortvarendheid, had ze direct de ziekenkamer een vroolijker aanzien gegeven.
De divan waarop de zieke de uren die hij niet in bed doorbracht lag, was vóór het raam geplaatst, terwijl naast hem een laag tafeltje stond, met zijn couranten, fruit en een vaas met bloemen.
Vlak over hem, aan het andere raam, had Mies haar „redactie-kamer” ingericht, zooals ze spottend zei.
Een tafel met een aardige, donkere sarong erover heen en vol met paperassen, boeken en een dik lexicon, terwijl in een donkere vaas eenige mooie theerozen geurden, cadeau van „de Pier” voor de redactrice.
En het was of reeds dien eersten dag, Mies’ opgewektheid aanstekelijk werkte op den patiënt en toen dokter Sterrenberg zijn gewoon morgen-bezoek bracht, werd hij lang niet zoo mopperig ontvangen als anders het geval was.
„Wat heeft u je hier gezellig ingericht,” zei hij tegen Mies, die bij zijn binnenkomst aan haar bureau (alias de tafel uit de linnenkamer) zat te werken.
„Ja, ’t ziet er goed uit,” zei Mies opgewekt, „’t Is een lust om te werken, zeker, als het aanminnig aanschijn van „Grompie” me vanaf den divan tegen lacht.”
7*