84 MIES DEMMING.
dinnen op na houden.”
„O, Dol, hou op! ’t Wordt hoe langer hoe mooier. Waar haal je de nonsens vandaan. Ik denk niet aan verloven. En... er is ook niemand, die er aan denkt zich met mij te verloven.” „Mies, ben je nu zoo onnoozel of ben je een volleerde huichelaarster? Je ziet toch wel heel goed, dat Verstraeten dol op je is. En dat jij ’t op hem bent, nu, dat kan men direct zien als men zoo ’s avonds bij jullie binnen komt loopen. Je zette vroeger nooit je haren nog eens over, of trok een andere blouse aan.”
Een sterke blos overtoog Mies’ gezichtje bij die woorden.
„Kind, hoe heb je ’t opgemerkt,” zei ze zacht. „Je zult me natuurlijk niet gelooven, als ik je zeg, dat ’t haast buiten me om is gegaan en ik me er geen rekenschap van heb gegeven, dat ik me vroeger niet opknapte.”
„Neen, zooiets is moeilijk aan te nemen,” lachte Dolly schamper.
„Nou, maar in ieder geval, er is niets tus-schen Verstraeten en mij, alleen is hij bar goed voor ons allemaal.”
„Aandoénlijk zeg! Hij voelt zich natuurlijk al zoo heelemaal de aanstaande schoonzoon en zet het beste beentje voor om toch goed te laten zien hoe ’n ideale echtvriend hij zal zijn.”
Nu was Mies’ geduld ten einde en terwijl ze haar mantel dichtknoopte zei ze koeltjes:
„Dag Dol, ik hoop, dat je je nare stemming gauw kwijt zal zijn. Maar denk niet, dat ik weer bij jou kom, ik zal nu eens wachten, tot je je verwaardigt mij te komen opzoeken.”
Bij ’t naar huis keeren, was Mies’ blijde bui van dien middag geheel gezakt, ’t Hinderde haar, dat Dolly zich van zoo’n kant had laten kennen. Maar meer nog dan dit, had haar getroffen Dolly’s toespeling op ’t zich ’s avonds opknappen