MIES DEMMING. 83
„Je weet, hoe dolveel ik van hem houd en nu te zien hoe hij er onder lijdt. Hij heeft absoluut geen werklust meer en al z’n vroolijkheid is weg. En dan te denken, dat ’t allemaal door dien ellendigen Verstraeten komt.”
„Dol, ’t is niet waar. Dat is nu heusch een waan-idee van jou geworden. Lang vóór Verstraeten zooveel bij ons kwam, voelde ik al, dat ik nooit zooveel van Ed zou kunnen houden als hij van mij.”
„Och, dat was wel gekomen. Ed is zoo’n schat en hij zou zoo ziels en zielsgoed voor je geweest zijn.”
„O, daar twijfel ik niet aan, maar, Dol, luister nu eens, Ed en ik staan zoo mijlen ver van elkaar af. Ik vind hem een zielsgoeien, fijnen jongen, maar weet je, praten, zoo echt heerlijk over boeken en muziek, over al wat kunst is, kan ik niet met hem. Ik geloof, dat hij al wat aan Kunst doet, zoo’n beetje als niet heelemaal „bij” beschouwt. En ik kan hèm niet volgen in zijn studie. Je weet wel, hoe hij altijd praat over het vak, dat hèm zoo lief is en Dol, je zult me misschien heel klein en dom vinden, maar daar weet ik niets van en voel er ook niets voor.”
Dolly volhardde in haar zwijgen en Mies, met verdrietig gezichtje, maakte aanstalten om weg te gaan.
„Nu, Dol,” zei ze zacht. „Ik hoop, dat je me na verloop van tijd kunt zeggen, dat je je geschikt hebt in wat niet anders kan en we dan weer als van ouds met elkaar kunnen zijn.”
„Dat kan niet meer,” zei Dolly droevig. „Je zult het zien, Mies, er zullen dingen komen, die beletten, dat jij en ik vriendinnen blijven.”
„Wat m ij betreft, kan er niets komen.”
„Dat zeg je n u, maar je zult eens zien, hoe gauw er verandering in onze verhouding zou komen. Verloofde meisjes kunnen er geen vrien-
6*