78 MIES DEMMING.
frouw Demming, die had niet soo’n hik op d’r stik!”
„Zeg, Janus, ben je nou mal, hoe durf je zoo-iets tegen mijnheer Verstraeten te zeggen!”
„Ikke niet? Most ie niet altoos soo fameljaar en frindeluk teuges maan saan. Seg, ik hep ’m gekend fen det ie nog soo’n broekeman was. En hij had nogal geen lol, toen ik dat saa fen die kale medam. Janus, zeit ie, jaa hep d’r een heldere kaak op de minse, seit ie. Maar nou mot ik fort, ik mot nog ’n booskap foor ik naar moeder de vrouw gaan. Nou, ajuus, hoor!”
Vroolijk lachend over het weerzien met Janus stapte Mies het privé kantoor van Verstraeten binnen.
„Je treft het,” zei Verstraeten. „Ik ben net aan de thee en omdat ik wel dacht, dat je tegen dien tijd zou komen, heb ik een kopje bij besteld.” „Zalig,” vond Mies, terwijl ze neerplofte in den gemakkelijken stoel, dien hij voor haar aanschoof.
„Gossiepietje, wat is ’t hier een piekfijne boel,” lachte ze, toen hij een schaaltje met bonbons binnen haar bereik zette. „Gaat dat iederen dag zoo?”
„Alleen als ik dames ontvang.”
„Zeer vereerd! Ik wou, dat de krent dat ook instelde. Maar daar krijg je om twaalf uur alleen maar een kopje „geutewater”, dat met den weid-schen naam van koffie betiteld wordt.”
„Poor child! ’t wordt hoog tijd, dat je verlost wordt van dien zuren draak.”
„Och, zóó erg is ’t niet, ik kan ’t er best een tijdje uithouden, van Dalen en Dumée zijn reuze aardig voor me. En buitendien, als ik veranderen wil, kan ik bij een anderen uitgever komen, ik heb al een aanbieding.”
„Ik zou voor goed den schrik beet hebben voor uitgevers,” lachte hij.