76 MIES DEMMING.
persoontje voor is. We hebben er al lang over gebroed een Dames-rubriek in ons blad te las-schen. Welnu, de kwestie is opgelost. Mies zal die rubriek redigeeren en zelf luchtige, geestige causerietjes er in schrijven, ’t Is een werkje, dat ze gemakkelijk thuis kan doen en waarbij ze genoeg tijd overhoudt om haar vader te verplegen.”
„’t Is schitterend,” zei de dokter verheugd. „En mag ik het u overlaten een en ander in elkaar te zetten.”
„Met plezier. We zullen er vanavond aan beginnen. Maar vóór ik Papa en Mama Demming bewerk, zal ik Mies onder handen nemen.”
„’t Is u toevertrouwd,” lachte de ander, terwijl hij met een hartelijken handdruk afscheid nam.
Verstraeten, nu alleen, bleef even in gedachte zitten, dan, resoluut, belde hij de zaak waar Mies werkzaam was op.
„Mag ik juffrouw Demming even spreken?” „Juffrouw Demming!” bromde een verontwaardigde stem. „Die is aan ’t werk, het personeel mag niet opgebeld worden.”
„Ah, mijnheer Denijs, is u het,” zei op sarcas-tischen toon Verstraeten.
„Met wie?” gromde de ander.
„Verstraeten.”
„O, is u het!” veranderde de barsche stem onmiddellijk in een veel liefelijker geluid. „Neen, maar dat verandert, natuurlijk kunt u juffrouw Demming even spreken. Ik zal ze roepen.” „Hallo!” klonk even later Mies’ frisch geluid. „Er is toch niets met Vader?”
„Een goed kind, dat naar haar moeder aardt,” lachte Verstraeten. „Neen, bang haasje, ik wou alleen maar vragen of je vandaag even bij me op bureau wilt komen. Liefst zoo gauw mogelijk, vraag maar uit mijn naam of de zure, hm, hm, je tusschen twaalf en één even laat gaan.”