MIES DEMMING. 199
kere schoonheid verhoogd werd, door het mat-bleeke van haar gezichtje, gevolg van alle emotie.
Verstraeten, toen hij haar de bloemen gegeven had, trok haar mee naar een rustig hoekje en daar, terwijl hij een étui uit zijn zak haalde, stak hij aan haar vinger een schitterenden,
antieken ring, een smaragd, geheel omgeven door brillanten.
„De verlovingsring van m’n moeder,” zei hij fel ontroerd.
En Mies, niet minder bewogen, zei zacht:
„O, dat ze ’t had mogen beleven.”
Niet lang duurde hun rust, het werd een va-et-vient van vrienden en kennissen.
Alle „persmuskieten”, zooals Verstraeten lachend zei, waren aanwezig en Mies werd aan zooveel menschen voorgesteld, dat de namen door haar