MIES DEMMING. 195
zóó’n indruk maakten, dat ze er allen even stil van werden.
Maar niet lang duurde de stilte, want Verstraeten, die een brandende kwestie op het puntje van zijn tong had, wilde spijkers met koppen slaan en voor hij wegging de zekerheid hebben wanneer hun verloving publiek gemaakt kon worden.
„Wat ben je haastig gebakerd,” plaagde mijnheer, toen Verstraeten hem voorstelde de ver-lovingskaartjes onmiddellijk te laten drukken en dan maar meteen Zondag receptie te houden.
„Moet dat nu wel, receptie?” vroeg Mies benauwd. „Ik vind zooiets een vreeselijke corvée.” „Ja, kindje, dat moet,” zei Verstraeten beslist. „De collega’s en ook het personeel zouden ’t zeker onaardig vinden, als ik hun niet in de gelegenheid stelde kennis te maken met m’n aanstaande vrouw.”
„Kan ’t niet een beetje gemoedelijker?” waagde Mies een laatste poging. „Als ik nu b. v. op kantoor kwam en de heele bende ons daar feliciteerde.”
„En dan zeker de heele pers optrommelen om ook daar te komen,” lachte Verstraeten. „Malle Miep, dat gaat toch immers niet.”
„Hè, kind,” knorde Frans. „Doe nou niet zoo flauw, juist keetig, zoo’n heele bende hier.”
„Welja, Mies,” vond haar vader. „Schik je er nu maar in, ’t zal heusch wel meevallen.”
„Nou, vooruit dan maar,” zuchtte het slachtoffer.
„Kind,” bedacht opeens haar moeder. „Wat doen we met je toilet? Kan dat in zoo, korten tijd klaar zijn?”
„En de mooie, nieuwe japon?” vroeg Grompie. „Kunnen jullie daar niet van die fladders inzetten” (hier wees hij op zijn mouwen) „dan is ’t een prachtige receptie-jurk.”
13*