194 MIES DEMMING.
hooren! Maar hij komt daar nog beneden, hij wil met alle geweld Hans feliciteeren.”
„Dat dacht ik wel,” lachte mevrouw. „Daar moet ie bij zijn. Nu, ’t is niets erg, dat ie wat later naar bed gaat voor ’n keertje.”
Daar kwam de jongen al binnen gehold, regelrecht naar Verstraeten toe.
Maar toen hij voor hem stond, was hij z’n praats van daareven geheel kwijt en stamelde hij: „Heel... hartelijk ... gelukgewenscht... meneer.”
„Dank je wel, zwager,” lachte Verstraeten. „Maar je moest nu maar ophouden met dat ge-meneer en Hans zeggen.”
„Ja, da’s best,” zei Frans, steviger nog z’n hand drukkend. „Nou, van harte, hoor, Hans! en ik ben blij, dat ze je vrouw wordt, want dan ben ik die leelijke plaag tenminste kwijt.”
„Zoo, ga nu maar gauw naar je kooi,” zei mijnheer kwasi-ernstig.
„Hè nee, vader, toe, laat me nou vanavond wat langer opblijven.”
„Nou, vooruit dan maar,” gaf mijnheer toe. „Maar je houdt je rustig, hoor! We hebben nog wat te bespreken. Maar eerst moeten we eens samen klinken. Vooruit, boy, ga even met me mee naar den kelder en help me dragen. Mies, kind, zet de glazen klaar, de champagneglazen, hoor!”
„Allemachtig, Grompie, wat een weelde!” zei Mies.
„Champie,” juichte Frans. „Wat een keet, zeg!” „Jij krijgt niets,” plaagde Hans.
„Zal je geleerd worden, zwager!” dolde de jongen terug, terwijl hij uitgelaten achter z’n vader aanliep.
Toen de parelende champagne in de glazen schuimde, nam mijnheer het glas op en sprak eenige eenvoudige en ontroerende woorden, die