190 MIES DEMMING.
liepen ze als in een droom door het Park, te vol haast om veel te kunnen spreken.
Maar toen opeens, zei Verstraeten:
„Mies, kind, we moeten naar huis, we gaan je vader en moeder vertellen van ons groot geluk.”
„O, doe jij dat alsjeblieft alleen,” zei Mies verlegen. „Ik vind ’t bepaald eng om zooiets te gaan zeggen, ze zullen niet weten wat ze hooren.” „Denk je?” lachte Verstraeten. „Geloof je heusch, dat die slimme Grompie niets in de gaten heeft? Moest je z’n oogen zien tintelen van pleizier, als ik ’t een of ander deed, dat z’n vermoedens bevestigde.”
„Maar moeder zal toch zeker stom verbaasd zijn.”
„Ook niet, kind, die is heusch wel door je vader op de hoogte gebracht.”
„En dat ze dan zoo niets heeft laten blijken,” peinsde Mies.
„Dat vind ik juist fijn. Ze wachten tot jij met je vertrouwen bij hen komt, kindje. Ja, je hebt een paar ouders uit duizenden en ik ben wat in m’n schik met m’n schoonouders, ’t Is voor mij zoo veel waard, dat ze zijn zooals ze zijn. M’n moeder verloor ik al heel jong, m’n vader eenige jaren geleden en broers en zusters heb ik niet.”
„Wat zullen we je dan een groot tekort aan liefde en zorg moeten vergoeden,” zei Mies hartelijk.
„Dat heb jullie al in zoo groote mate gedaan. Mijn eenige angst was altijd, dat jij niet genoeg van me hield en mijn aanzoek zoudt afslaan, waardoor ik dan, met jou ook die heerlijke, warme omgeving zou verliezen.”
„O, Hans!” riep Mies opeens uit. „Wat zal Frans ons plagen!”
„Ja, van dien kostelijken kwajongen zullen