188 MIES DEMMING,
even haar handje te pakken en dit innig te drukken.
Maar Mies, angstig rondkijkend, zei benauwd: „O, denk toch aan de menschen.”
En Verstraeten, als een overmoedige jongen, zei uitgelaten:
„Och, wat kunnen mij nu de menschen bommen! Het liefst zou ik meteen weggaan, iedere minuut, die me nu nog scheidt van m’n geluk, lijkt me een eeuwigheid. Toe, Mies, laten we heengaan. Of wil je het stuk liever uitzien?” Mies schudde ontkennend het kopje en Verstraeten, blij, dat ze toegaf, zei zacht:
„Zeg dan, ja Hans. Toe,” drong hij aan, „zèg het nu toch eens. Hoe vaak heb ik ’t je gevraagd en altijd kreeg ik weer dat vormelijke mijnheer te hooren. Nu?”
„Ja... Hans,” zei Mies, haar verlegenheid overwinnend.
„Toe, Mies,” haastte hij. „De pauze is om, nu eclipseeren we meteen.”
In een rennetje liep hij naar de vestiaire, en op de verbaasde vraag van de ouvreuse, die hem als trouw bezoeker van den schouwburg goed kende, „of hij het stuk niet ten einde bleef zien,” zei hij, terwijl hij het goed haastig aanpakte: „Ik moet nog ergens anders heen.”
Het gebeurde zoo vaak, dat hij twee voorstellingen op één avond bezocht, de juffrouw verwonderde er zich niet verder over.
Maar toen ze op straat kwamen, boog hij zich naar Mies over en zijn arm in den haren stekend, zei hij:
„Moet ik dan niet ergens anders heen, Mies, liefste? Moet ik niet naar mijn geluk? Zal, als ik jou heb niet alles zoo heel anders worden? O, kind, als je wist hoe ik er naar snak om een eigen huis te hebben, met een koesterend vrouwtje, dat ik op de handen kan dragen.”