MIES DEMMING. 187
„Weet je, kind, dat ik dien zuren uitgever eigenlijk heel dankbaar ben? Mies, als we straks naar huis gaan, mag ik je dan vragen, wat ik al maanden en maanden lang in me omdraag en waar ik, laf genoeg, den moed voor miste je te vragen? Toe, Mies, kijk nu niet zoo halsstarrig
naar dien ijsklomp, maar geef me antwoord. Of is het je te pijnlijk om me te zeggen, dat je mijn verzoek liever niet wilt aanhooren? Maak het dan kort en zeg het me.”
Mies, de donkere oogen opslaand, keek hem ernstig aan en toen zei ze alleen:
„Ja, straks bij ’t naar huis gaan.”
In zijn bovenmatig geluk kon hij niet nalaten