186 MIES DEMMING.
manieren, zei scherp:
„Ik begrijp niet, wat u bedoelt, mijnheer Denijs. Wellicht is het Uw bedoeling juffrouw Demming geluk te wenschen met het succes van haar eerste werk, niet waar?”
Denijs was toch wel even uit het veld geslagen door Verstraeten’s scherpen toon en zei zoetsappig:
„Ah ja, da’s waar, uw boek is verschenen. Nu, daar zal Dumée niet rijk van worden, zoo’n eersteling van een nog onbekende schrijfster is meestal een strop.”
„Ik denk niet, dat Dumée zich voorgesteld heeft, rijk te worden door mijn boek,” zei Mies lachend. „En ik vrees, dat hij door geen enkel boek rijk zal worden, daar is hij te reëel voor.” „Idealistische praatjes,” mopperde de zure. „We zullen eens zien of hij bij al die verheven ideëen kan blijven.”
„Daar ben ik zeker van,” zei Mies.
„Willen we even daar gaan zitten,” brak Verstraeten het weinig geanimeerd gesprek af. „Er is daar net een tafeltje vrij gekomen. Adieu, mijnheer Denijs.”
„Veel genoegen verder, jongelui,” zei de zure met een grijns.
„O, wat een naarling!” zei Mies, toen ze plaats hadden genomen. „Ieder woord, dat hij spreekt is een hatelijkheid.”
„Trek je er toch niets van aan, kind,” zei Verstraeten. „Wat kan ’t je schelen, hoe zoo’n bekrompen mensch als Denijs over je denkt, stel je er boven. En buitendien, Miesje,” en hier boog hij zich naar het meisje over. „Vindt je het zoo héél erg, dat ze ons voor een verloofd paar aanzien?”
Mies, in verwarring, wist niets te zeggen, lepelde in de plombière, die de kellner juist voor haar neergezet had.