MIES DEMMING. 179
fijn, zoo’n droom in wit.”
„Hou me vast!” plaagde Mies. „Dol wordt poëtisch! Nu, als jij trouwt, zullen we je witten droom witter, dan wit maken. Je zorgt maar, dat ’t midden in den winter gebeurt, met een sneeuwkleed van 10 meter hoog en een warreling van sneeuwvlokken om je wit-gesluierd kopje.”
„Daar heb je de schrijfster aan ’t woord,” lachte Dolly. „Maar jij dan, Mies, zou jij niet in ’t wit willen trouwen?”
„Ik?” peinsde Mies. „Als ik al trouw, neen, dan zal ’t geen witte droom zijn.”
„Een zwarte nachtmerrie!” plaagde Frans. „Hè, brasem, wat luguber,” rilde Mies.
„Hoe zou jij er dan uit willen zien als bruid?” vroeg Verstraeten, die toen hij de vraag uitgesproken had, alweer berouw had, want hij voelde de plaag-oogen van Dolly en Frans op zich gevestigd.
„Ja, Miesenkind, vertel ons dat eens?” vroeg
haar vader.
„Hè,” zei Mies afwerend. „Wat maken jullie daar opeens ’n gewichtig gedoe van. Ik trouw in m’n gewone plunje en ik ga in de tram naar ’t Stadhuis, daar, nou weten jullie ’t.”
„Bah, wat ’n saaie boel!” sputterde Frans. „En ik had nogal gehoopt, dan een smoking van den Pipa te krijgen!”
„Wel ja, een baby in smoking!” plaagde Mies. „Ben je dan van plan zóó gauw te trouwen, Miesje?” zei ondeugend Dolly. „Als je niet direct trouwt, dan groeit Frans wel in z’n smoking.” Nu was Mies in verlegenheid gebracht en woest kijkend naar al die plaag-gezichten, zei ze: „Hè, zwemmen jullie door! Toe, Dol, zeg me nu, hoe ik dat achterhangsel van Lies je moet hanteeren.”
„Hoor eens, ik ben voor aanschouwelijk on-
12*