ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
De trouwdag van Frits en Lies je naderde met rassche schreden. Het huisje van den jongen uitgever was smaakvol ingericht en wachtte op het gelukkig paartje, dat er zijn intrek zou nemen.
Mies, die met alles geholpen had en tusschen haar drukken arbeid in, met Liesje gezwoegd had om alles klaar te krijgen, was door het jonge paar verzocht bruidsmeisje te zijn.
„Ik vind het eng,” zei ze ’s avonds in den huiselijken kring, waar ook Dolly en Verstraeten aanwezig waren. „Ik heb nog nooit zooiets gedaan, ik ben vreeselijk onhandig in zulke gevallen, ik weet zeker, dat ik Liesje laat tippelen over d’r sleep.”
„Och, zeurpot,” berispte Dolly haar. „Er is toch nog een bruidsmeisje. Je doet maar net wat die doet.”
„Dat is juist zoo’n wanhoop! Een van Frits’ zusjes is bruidsmeisje en die heeft ’t ook nog nooit gedaan die vroeg mij juist hoe ’t moest.” „Nou zielepiet, wees maar zoet, ik zal je wel helpen, ik heb ’t zaakje al viermaal bij de hand gehad en ben dus geroutineerd.”
„Dol, je bent een engel! Vooruit, zeg me hoe ’t moet.”
„Zijn er ook bruidsjonkers?”
„Ja, twee, een vriend van Frits, een jong arts en een broer van Liesje.”
„Wat een poppenkast!” bromde Verstraeten, die plotseling weer een aanval kreeg van jalouzie, waarvan hij meende verlost te zijn. „Dat is nu toch heusch uit den tijd zoo’n malle vertooning.” „Gelukkig niet,” lachte Dolly. „Hè, ik hoop, dat ’t nooit uit de mode gaat. Ik vind ’t gewoon