176 MIES DEMMING.
ook al afgekamd bij m’n eerste handteekening en anderen hebben me weer in de hoogte gestoken. Ik leg al die kritieken op de weegschaal en dan neem ik er net het midden-gewicht van.”
„Werk je onder je eigen naam?”
„Neen, dat durf ik niet. Pas veel later, als ik er een beetje in ben.”
„Hoe is je pseudoniem?”
„Ben je mal, ik zeg ’t niet. Die wou me d’r even laten invliegen! Jullie persmenschen zijn veel te gevaarlijk, een geheim kan men jullie niet toevertrouwen.”
„Och, vlieg op! Ik zal jouw geheim waarachtig niet schenden. Toe, Dol, wees niet zoo’n naarling, zeg ’t me nu.”
„Wat een nieuwsgierige Aag! Ze brandt om ’t te weten. Nu dan, ik ben Maddy.”
„Wat? Ben jij dat? Heb je dan ook die kostelijke caricaturen in „de Vuurtoren” gemaakt? Eenig gewoon! Neen maar, ’t is om te gieren! We hebben ons suf gedacht wie ’t zou zijn, Frits, Liesje en ik hebben er een heel ander van verdacht. Weet je, wie we er op aanzagen, dat teekenaresje van „de Gele”, je weet wel, met dat korte haar en ’t spitse neusje. En nu te denken, dat jij dat bent. Zeg, Dol, je hebt heusch véél talent. Weet je, Verstraeten, die is heel scherp in z’n oordeel, en die amuseerde zich schoon met je caricaturen.”
„Ik heb eens ’n heele goede kritiek in z’n blad gehad. Dat vond ik fijn!”
„O,” plaagde Mies. „Ik dacht, dat je niet gaf om kritiek.”
„Ellendelaar!” schold Dolly.
„Zeg, Dol,” zei Mies enthousiast. „Je moet eens wat voor m’n Dames-rubriek teekenen. Of ben je contractueel verbonden aan „de Vuurtoren?” „Gelukkig niet. Ik mag teekenen waarvoor ik wil, maar totnogtoe regende het geen aanvragen.