MIES DEMMING. 175
heele familie en al m’n vrienden voorzien van batik-werken en toen ik ’t eindelijk eens productief wilde maken en probeerde mijn werk te verkoopen, toen bleek het, dat ’t lieve mensch-dom geen geld over had voor m’n batikkerij. Ze vonden ’t véél te duur, ’n enkele kocht iets en trok dan ’n gezicht of ’t liefdadigheid was. Nou, toen kreeg ik er finaal genoeg van en aangezien ik niet van plan was als een niksnut door de wereld te dazen en maar steeds op kosten van den Pipa te leven, besloot ik een anderen weg in te slaan. Ik sprak met den directeur van onze school en die vond, dat ik veel aanleg had tot teekenen en me moest toeleggen op de decoratieve bandteekening en illustratie. Daar heb ik me toen met een ware woede op gesmeten, heb gewerkt als twee peerden met het gelukkig gevolg, dat ik al twee bandteekeningen heb mogen maken voor een vriend-uitgever van m’n oom en juist verleden week een opdracht kreeg van dienzelfden uitgever om een prentenboek te illustreeren. Wat zeg je van me?”
„Dol, wat fijn!” zei Mies, haar heele gezicht in één straling. „Wat kranig van je! O, wat ben ik benieuwd je werk te zien. Ik zal ’t direct aan Frits Dumée vertellen, die moet je ook opdrachten geven. Stel je voor, dat j ij nog eens ’n bandteekening voor een boek van mij maakt! O, dat moet gebeuren!”
„Schrijf jij maar een roman, je zult eens zien, hoe ik me dan voor je uitsloof? Ben je weer aan iets bezig?”
„Ja, ik heb ’n heelen roman in m’n hoofd, maar ’t staat nog niet klaar voor m’n geest en vóór dien tijd begin ik er niet aan. Soms kan ik ’t niet uithouden en zou er dolgraag aan beginnen, maar ’t is niet goed dat te doen, dan wordt ’t toch maar weer onrijp werk genoemd.”
„Hè, stoor jij je aan kritiek? Ze hebben mij