174 MIES DEMMING.
„Was geen hatelijkheid,’' verontschuldigde Dolly zich. „Alleen maar de waarheid.”
„Ik ben héél blij voor Ed. En zijn ze al verloofd?”
„Neen, ’t is nog officieus, maar na z’n examen, dat tegen het voorjaar plaats zal hebben en waar hij zeker doorkomt, wordt ’t officieel.”
„Is ’t een sympathiek meisje?”
„Nou, ze is geen Mies Demming, maar ik mag haar heel graag en ze zal een begrijpend en goed vrouwtje voor Ed zijn.”
„Gefilseteerd, hoor! van harte!”
„O, daar begint ze weer met d’r Janus-taaltje. Heb je dat nu nog niet afgeleerd. Je moest je schamen, jij zoo’n beroemde romancière.”
„Hou op, dierage! Als je spot, word ik wéér boos.”
„Ik spotte heelemaal niet. Je weet niet half, hoe trotsch ik op je ben. Goed, dat je me indertijd je nom de plume verklapte. Ik heb je boek direct gekocht en ’t wacht op je hand-teekening. Ik heb alle kritieken verslonden en bij ons thuis vechten we altijd wie ’t eerst je Dames-rubriek in handen krijgt. Zélfs de goeie Pipa leest ’m, al zegt ie, dat ie niets geeft om al dat vrouwen-gezwam. Maar Miesje had altijd een schreefje voor bij hem.”
„Ik voel me danig geflatteerd. Zie je m’n neus niet, die krult gewoon!”
„Ik zie alleen, dat ie nog net zoo brutaal en uitdagend is als ie altijd was.”
„Zeg, Dol, wat voer jij tegenwoordig uit? Ben je nog altijd aan het batikken?”
„O, ziel, hou op! Ik ben tegenwoordig serieus aan ’t teekenen en schilderen. Moet je niet uitvlakken, hoor!”
„Meen je ’t heusch?”
„Ja, warempel. Je moet weten, dat ik een beetje beu werd van al ’t gebatik. Ik had m’n