172 MIES DEMMING.
„zure kritiek”, waarin de jonge schrijfster onbarmhartig „afgekamd” en haar werk onrijp genoemd werd, toen was Mies direct terneergeslagen en kostte het Liesje moeite, Mies van het idee af te brengen, dat nu juist die kritiek de juiste was.
„Wacht maar,” plaagde Liesje. „’t Is nog maar je eerste, slechte kritiek. Er zullen er heusch nog wel volgen. Jij denkt maar, dat iedereen verrukt moet zijn van je eerste papieren kind! ’t Is wel eens goed voor je, je zou heusch te pedant worden, als alles maar strijk en zet ging.”
„O, neen,” zei Mies, met een benepen stemmetje. „Daar zou geen kans op zijn, je weet niet, hoe gering i k over m’n eigen werk denk. Bij iedere goede kritiek lijkt ’t me, of er een wonder gebeurt. Ik kan me veel meer vereenigen met die laatste kritiek, heusch, mijn werk i s groen en ’t is nog echt prullewerk.”
„O, wat een gekkie ben jij!” lachte Liesje. „Ik moest je heusch door elkaar rammelen. Zóó’n kleinmoedig mensch moet er nog geboren worden. Hoor eens, als je zóó bent, breng ik je alleen de goede kritieken, ’t is wel doodjammer van ’t duppie, dat ik dan misloop, maar ik heb ’t toch wel voor je over.”
Nu moest Mies toch ook lachen en al gauw was ze de zure kritiek weer vergeten en toen er naderhand nog eenige minder gunstige kwamen, toen was ze er doorheen en aanvaardde ze deze met gelatenheid.
’t Was eenige dagen na de verschijning van Mies’ boek, toen ze, gaande langs een der grachten, plotseling Dolly tegen ’t lijf liep.
Al dien tijd hadden de meisjes elkaar niet gesproken, soms op een concert hadden ze elkaar gezien en stijfjes toegeknikt.
Maar nu ze elkaar zoo pal in ’t gezicht liepen, kwam het oude, vriendschappelijke gevoel, dat