MIES DEMMING. 171
tieken lezen, daar geloof ik heelemaal niets van. Ik weet van Frits, die altijd alle kritieken toegezonden krijgt op de boeken, die hij uitgeeft, hoe tuk ze er op zijn om de kritieken te lezen. En weet je, we moeten er vaak om lachen, hebben ze een slechte, dan is de recensent altijd iemand, die een vijand van ze is, of iemand, die erg partijdig is, terwijl de schrijver van de goede kritiek hemelhoog verheven wordt. Wij vergelijken het met iemand, die pas schaatsen leert rijden de schuld van z’n vallen en krabbelen ligt altijd aan de schaats of het schaatsen-band, dat te los zit, nooit bij den rijder zelf.”
„Ik hoop, dat ik aan dergelijke bekrompenheden ontkom,” zei Mies.
„Nu, zoolang je nog eerlijk toegeeft, dat je in de piepzak zit voor de kritiek, is er geen gevaar,” lachte Liesje. „Ik moet zeker met iedere kritiek, die er komt naar je toe komen hollen.” „Natuurlijk,” zei Mies. „En voor iederen keer, dat je er een brengt, krijg je een duppie.”
„Tsjonge, jonge, dat kan een vet potje worden. Er komen al gauw ’n vijfentwintig kritieken binnen, dat is toch maar een vette knaak!”
De kritiek, waar Mies zoo voor gevreesd had, was haar gunstig gezind.
Algemeen werd erkend, dat haar werk, hoewel nog wat groen, toch getuigde van veel talent.
Er werden Mies wenken gegeven, die ze ter harte wilde nemen, omdat ze kwamen van schrijvers, die alleszins gerechtigd waren tot beoor-deelen.
't Gaf telkens weer een nieuwe opwinding, als Frits of Liesje met een kritiek kwamen aanzetten en Mies gooide trouw een dubbeltje in het spaarvarken, speciaal gekocht voor de gelegenheid.
En toen Liesje op een dag kwam met een