MIES DEMMING. 165
lieve attentie van Frits en Lies je.
Naar de mooie, donkere overgordijnen, door haar moeder zelf gemaakt. Naar den borstel-hanger in houtsnijwerk door Frans vervaardigd, kortom naar al de dingen, bijeengebracht uit liefde en hartelijke sympathie.
’t Werd Mies te machtig, ze voelde een brok in haar keel opkomen en terwijl ze haar moeder en vader hartelijk omhelsde, Verstraeten krachtig de hand drukte en Frans door z’n krullebol streek, zei ze met een schorre stem:
„’t Is heusch te veel, ik weet niet wat ik ervan zeggen moet, ik zal alleen maar als een zoet kind beloven: ik zal hier altijd goed werken! Want dat zal ik, ’t is gewoon een ideaal-kamer om te werken.”
Ze genoten allen van Mies’ uitbundige vreugde en ’t was in een opgewekte stemming, dat ze aan de lunch gingen.
„En vertel nu eens hoe je ’t buiten gehad hebt?” vroeg Verstraeten.
„O, daar heb jullie geen idee van, hoe fijn! ’t Is zoo’n gelukkig huishoudentje en de kinderen ... dat zijn gewoon schatten. Die kleine baby, zoo’n mol, moet je hooren, hoe ze ’s morgens in haar badje ligt te kraaien en met de stevige beentjes trapt en spartelt. Ik heb haar eenige keeren mogen baden, dat is een ongekend genot en we waren allebei boos als moedertje Annie zei, dat ’t nu genoeg was.
Dan haalde ik het tegenstribbelende rose lichaampje uit het bad en begon het droog te wrijven onder allerlei verhalen en malle geluiden. Zóó fijn, en dan lachte en kraaide ze zonder ophouden.”
„En de boy?” vroeg mevrouw. „Is die ook zoo lief?”
„Dat is een héél bizonder kereltje. Die moet u zien, als hij zit te spelen! Zoo’n ernst zag ik