164 MIES DEMMING.
en danste het tweetal de huiskamer in.
„Wat een verschil met eenige maanden geleden,” zei Verstraeten zacht tegen mevrouw. „Toen was alles even stil als ik uw huis binnen kwam en nu is alles blijheid en vreugde.”
„Ja, Goddank,” zei zacht mevrouw terug en haar lieve oogen werden vochtig, toen ze haar man veerkrachtig en opgewekt achter het joelend tweetal de huiskamer in zag gaan.
„Mies,” zei mijnheer, terwijl hij den arm om zijn dochter heensloeg. „Luister eens, kind, vóór we aan tafel gaan, moet je even met ons mee naar boven, waar een kleine verrassing je wacht voor al de goede zorgen en trouwe verpleging bij Grompie’s ziekte.”
„Wat zalle me nou hebbe?” vroeg Mies, die als ze uitgelaten was in den ouden Janus-toon terugviel.
„Alles mee naar boven,” jubelde Frans. „U ook, meneer Verstraeten!”
En in optocht toog men naar boven, waar halt werd gemaakt voor een kamer, die vroeger dienst deed als mangel-naai- en rommelkamer.
„Wat is dat?” vroeg Mies in de uiterste verbazing, toen ze de ex-rommelkamer omgetooverd zag in een hoogst smaakvolle werkkamer.
„Voor de schrijfster,” zei haar vader. „Hier kun je rustig werken, zou ik zeggen.”
Mies kon geen woorden vinden om te zeggen, hoe groot haar vreugde was en stil dwaalde ze van ’t een naar het ander. Naar de mooie boekenkast, waarin keurig geschikt waren al haar boeken, naar het mooie, groote bureau waar ze alles gereed vond, dat tot werken aanlokte en waar bovenop stond een vaas met geurende theerozen en een kaartje van Verstraeten erbij.
Naar het kleine tafeltje met de mand vol frissche planten van „je uitgever en zijn meisje”,