MIES DEMMING. 161
deur van zijn privé-kantoor en de groote, zwarte flambard diep in de oogen gedrukt, haastte hij zich den kant op van het Centraal station.
Maar toen hij op de brug vóór het station liep, viel ’t hem in, hoe hij zich eigenlijk aanstelde als een grasgroen H. B. S.-sertje.
In een impuls was hij op weg gegaan en had zijn verlangen naar Mies hem gedreven haar van den trein te gaan halen, maar eenmaal zoover gekomen, vond hij ’t toch wat al te dwaas en boos op zichzelf nam hij den terugtocht aan en zat even daarna weer begraven onder al het werk.
Mevrouw Demming was naar het station gegaan om Mies te halen en toen haar slanke dochter, vlug als water, van den treeplank der coupé op haar toesprong en haar met een jubelend:
„Dag schatte-Pier!” begroette, toen keek de moeder met dankbaarheid naar het fleurige kopje, de schitterende oogen en zei ze blij:
„Kind, wat heeft het buiten zijn je goed gedaan.”
„Pier, ik fuif op een taxi,” zei Mies, toen haar moeder een tram wilde instappen.
„Neen, Mies, dat is zonde van ’t geld,” zei haar practische moeder.
„Och wat, ik heb nog hoopen geld over, ik weet heusch niet, wat ik met mijn honorarium moet doen, laat me nu eens roekeloos zijn.”
„Nu goed dan,” gaf haar moeder toe en wilde juist instappen, toen ze zich bedacht:
„Neen, Mies, laten we dat maar niet doen, vader wilde je zoo graag verwelkomen en als we nu met een taxi gaan, zijn we veel vroeger thuis dan hij.”
„Ik weet nog iets veel mooiers,” zei Mies, die niet van haar taxi-idee af te brengen was.
„We rijden eerst even naar de Redactie en halen vader aan, is dat niet aardig? Toe, Pier,
Mies Demming. 11