MIES DEMMING. 159
En op ditzelfde uur zat Verstraeten in zijn eenzame pensionkamer voor zijn bureau, met de handen in zijn weelderigen haardos en dacht hij met oneindig verlangen aan het trotsche, zich voor hem verbergende meisje, waar zijn heele hart naar uitging en dat hij, door eigen jalouzie en onredelijkheid van zich verwijderd had.
Dien avond pas had hij bij een bezoek aan Mies’ ouders gehoord, hoe zij voor een poosje naar een vriendin was, die buiten woonde en met allerlei, naar zijn meening, sluiksche vragen, was hij te weten gekomen, waar die vriendin woonde en of... o, schrikbeeld! er daar geen broer of zwager of vriend was, waar Mies’ voorkeur naar uitging.
En „Grompie”, met een gezicht als de heilige onschuld zelf, had zich laten uithooren en alles verteld wat Verstraeten zoo gaarne wilde weten.
Maar innerlijk had hij zich voor de zooveelste maal zitten verkneuteren over dien goeien „Ivan”, die dacht, dat hij hem niet in de gaten had.
En toen Verstraeten weg was, had hij zijn vrouw oolijk toegeknikt en blij gezegd:
„Dat marcheert best, wijfie, mijn kop af, als de zaak niet binnen eenige maanden in orde komt.”