156 MIES DEMMING.
innig Bep’s handen.
Bep, blij-verrast, keek haar in één groote verbazing aan.
„Zóó te kunnen spelen,” zei Mies, haar stem een weinig schor. „Bep, ik kan je benijden. Je hebt er geen idee van, wat je me vanavond gegeven hebt, maar ik wil je wel zeggen, dat het ontzaglijk veel is.”
En Bep, dankbaar, met een stralende uitdrukking in haar oogen, vroeg schuchter:
„Vin-je, dat ik vooruit ben gegaan?” „Verbazend,” zei Mies overtuigd. „Je spel is in die twee jaar absoluut veranderd. Je speelde vroeger technisch goed, alles kwam er even mooi en gepareld uit, maar nu spreekt je hart mee en zooals je die heerlijke Mondschein speelde, ’t was één brok gevoel. Ik heb genoten, Bep,” en zich tot Jan wendend, zei ze: „Wat zal dat fijn zijn, als u naderhand in uw eigen huisje naar hartelust van Bep’s spel kunt genieten. Ik geloof, dat ik nooit uit zou gaan, als ik iemand bij me had, die me alle mooie werken zóó kon voorspelen.”
„Ja, ’t is een groot voorrecht,” zei Terwolde. „En Bep weet niet half, hoe gelukkig ze me maakt als ze speelt.”
„Ik weet het wel,” zei Bep met een stralenden lach, terwijl ze zacht haar handje in de zijne lag.
Mies keek met verbaasde blikken naar heel dit veranderd wezen van het meisje en al de wrevel, die ze in het begin van den avond tegen Bep had gevoeld, versmolt als sneeuw voor de zon en toen bij het weggaan Bep uit naam van haar ouders vroeg of Mies den volgenden dag bij hun kwam dineeren en dan wat vroeg wilde komen om eerst nog wat op Bep’s kamer te praten, nam Mies van harte gaarne de uitnoodi-ging aan en ’t was met een hartelijken handdruk,