152 MIES DEMMING.
dwingen, trekken, om ten tooneele te verschijnen, was hij eindelijk gezwicht en met een snuit van: God helpe mij, ik kan niet anders, stond hij temidden van de tooneelisten te buigen als een volleerd dramaturg.”
Mies, danig geamuseerd, zei: „O, had ik ’t maar kunnen zien, ’t zou me wat waard zijn geweest. En wat zei de pers er van?”
„Nu, dat kun je denken! Heele kolommen werden er gevuld en o. m. „Naar ons verzekerd werd, is de groote schrijver reeds bezig aan een tweede tooneelstuk.”
Foto’s van den auteur en zijn kinderen, zijn hond, z’n ega, etc. brachten de Heidenoorders in verrukking en ze keken hem aan, of ze hem nooit te voren gezien hadden.”
„En hoe was het tooneelstuk eigenlijk?” vroeg Mies.
„Onrijp prullewerk! ’t Hing aan elkaar als droog zand.”
„En is dat tweede tooneelstuk ook nog opgevoerd?”
„Neen, dat is zeker in de beenen gezakt, men hoorde er nooit meer iets van.”
„Heb je nu genoeg stof voor een roman?” vroeg Beppie. „Laten we dan alsjeblieft over iets anders praten. Al dat afkammen van Heidenoord is bar vervelend. Als jullie ’t er zóó vree-selijk vinden, trek dan ergens anders heen.” „We vinden ’t hier niet vreeselijk,” zei Annie. „Geloof me, Bep, we zouden niet graag ergens anders wonen, want de bosschen, de hei, ’t is alles even heerlijk, maar je zult moeten toegeven, dat er hier elementen zijn, die ’t leven onaangenaam maken.”
„Dat zal wel overal zoo zijn,” vond Miés. „Alleen in de stad merk je minder van elkaar, hier ben je veel meer op elkaar aangewezen.”
„Daar staat tegenover, dat er op kleine plaat